Note 2 — Warenar.
Reading edition
„Maar de groote feil van Plautus ligt hierin, dat hij zijnen Euclio aan het slot eensklaps mild doet worden, en hem zijn goud aan Lyconides schenken laat. Wie had eene zoo plotselinge uitschudding van eene diep ingekankerde kwaal bij den vrek kunnen vermoeden? Waarlijk, hij moest den schat wel onverwacht verkregen hebben, om er even onverwacht afstand van te kunnen doen. Die afstand, door Plautus verdicht, is een vergrijp tegen de waarheid en de natuur, dat onder geen voorwendsel vrij te spreken is; evenmin kunnen wij Hooft verontschuldigen, dat hij dien misstap niet vermeden heeft. Molière daarentegen gevoelde het gebrek van Plautus en verbeterde het. Het karakter van den gierigaard blijft zich bij hem tot het einde toe gelijk, en dat einde zet het werk de kroon op, wanneer na de woorden van Anselme: „Allons vîte faire part de notre joie à votre mère”, Harpagon besluit met de woorden: „Et moi voir ma cassette!”2