Note 1 — Vondels Hekeldichten.
Reading edition
Oordeel van Bakhuizen. We eindigen onze bespreking van het gedicht met de volgende woorden van Bakhuizen van den Brink: „Omtrent den Rommelpot van het Hanekot moge gelden, hetgeen aan Hooft vooral tegen de borst stond, „dat men die luiden leelijk en afschuwelijk in het oog der gemeente maakte, daar zij leer en stichting bij te zoeken en uit te zuigen heeft”1; te gereeder vergeven wij aan Vondel zijnen stouten aanval op de Predikanten, om hunne eigene onverdraagzaamheid, om de spranken van vernuft, waarvan zijn gedicht schitterde. Spranken van vernuft, zeggen wij; en gij vraagt, of het Amsterdamsche gemeen wel zoo ontwikkeld was, dat het die kon opmerken en opvangen: en of niet, terwijl de dichter den roem van zijne luim luisterrijk handhaafde, juist daardoor eene andere verdienste, van zich op het standpunt dergenen, tot wie hij sprak te verplaatsen, de verdienste der objectiviteit, hem ontging? Indien het echter waar is, dat Bredero, uit eigene ondervinding, eene getrouwe schilderij van de zeden, taal en denkwijze des gemeens ophing, dan moet het inderdaad luimig en levendig, en voor een wel aangebrachten kwinkslag te vangen geweest zijn; dan moeten de vele laffe en nietswaardige schotschriften, minder met de vatbaarheid des volks, dan met de onbekwaamheid der schrijvers gestrookt hebben; dan mogten misschien al de fijne trekken van Vondel niet begrepen, noch het lange gedicht in zijn geheel onthouden worden; vele van de geestigste schimpscheuten zijn voorzeker in de ooren blijven kleven, en het is der ernstige vroomheid van ’t volk dank te weten, dat het, om ’s dichters vroolijke invallen lagchende, echter den eerbied voor zijne Leeraars niet verloor.”