Note 1 — De Kleine Johannes.
Reading edition
Hekeling van de schijnvroomheid. Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meid Daatje „veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als dominee Kraalboom op ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1 Ook tegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.