← Table of contents
Gevleugelde Daden

Note 2 — Holland in de wolken en Zegepraal1.

Reading edition

Als ’n beminnaar van schoone kunsten eene serie tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden, wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone teekeningen, die nà pag. 113 vruchteloos hare vingers bevochtigd heeft, huiverig-verlangend naar verdere fantastische scheppingen, alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in een passe-partout te doen encadreerenen—en tot op deze pag.... 188 nièts meer vindend. Ik bevroed de pijnlijke teleurstelling. Verwijs de verbolgenen naar den uitgever, ergens in Bussum. Ik ben onschuldig. Zoo puur van geweten als ’n knaap van twee jaar. Reeds lang had het tusschen mij en dien heer gemot. Ik kan wel kunstzinnig samenwerken met iemand, die mij begrijpt, maar als men me kwelt en spijkers op laag water zoekt, stuif ’k in breede verwoedheid op en smijt Neelmeyer tegen de vlakte. De littéraire lezeres, in deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen, mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam, heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is door al het rumoer en gemoord reeds geïmmuniseerd. Om te betoogen, hoe goddelijk ’k verongelijkt ben, heb ’k slechts dit overzicht te geven: a) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit van verluchter inderdaad ontdekte, en ik hem tot zóóver hulde breng, werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat “de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had”, om die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze botsing evenwel niet tot uiting, daar zooals ik op pag. 35 schreef: “bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden.” De verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op den steen arbeidt, met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet gaarne zijn oeuvre zincographisch verknoeid. Ik duldde dat.

Mijne verdere motieven zijn: b) .... Bij de derde teekening op pag. 44 beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes, als-ie ’n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel, wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van ’n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen in artistieken arbeid. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eens artiests, als ’n werkgever hem achter de schermen met de punt van ’n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onze ziel? Ik weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motief c) .... Bij de teekening op pag. 50, uitte ’k mijn wrok op bedekte wijze, door te zinspelen op een “provinciaal deskundige” die beweerd had dat mijn schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat ’k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag. 61 moest ’k dit aandikken. Immers aan ’t slot der noot achtte ik mij zedelijk verplicht te melden: “Enfin, de uitgever moet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten.” Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij veroorloofde, op de waarlijk stuitende woorden van den auteur, maakte de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liep zonder den hoed af te nemen. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen—mogen we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening neerschrijven over den auteur Falkland, wiens populariteit een hoon is voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De strijd, in het stadium gekomen van het elkaar niet meer groeten, werd er intenser op. Motief d) .... Bij de inderdaad heerlijke teekening op pag. 71 schreef mij de tegenpartij: “Wat beteekent toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?” Om nadere informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekening ondersteboven had gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde ’k (pag. 71) ... “helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren.” “Welk een afschuwelijke samenwerking, nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan geven. Nòg was ’t einde niet daar. Motief e) .... Op pag. 106, ter hoogte der uitnemende illustratie van hemd en toren, berichtte ik reeds de uitspraak: “.... Schei in ’s hemels naam uit met dat geknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost...” ...., eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z’n nagels van woede zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van het P. Z. 12 tot veel onheusche opmerkingen aanleiding. Ik draag frontjes, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men zich in het merk van een overhemd vergist. Vertoornd zeide ik tot den uitgever: “Fiche moi la paix!”.... Toen, bij de teekening op pag. 113, meende mijn tegenstander geestig te zijn, door een paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth, Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op ’t papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in zulk een geval de uitgever niet schaamteloos gehandeld hebben, als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van verontwaardiging, onmachtig tegenover willekeur, weigerde ik de achtste en negende kapittels te verrijken. Ziehier het overzicht—vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op gezond verstand—van de onverkwikkelijke verhouding tusschen een kunstenaar en een zakenman. En na al de onaangenaamheden mìj aangedaan—welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!—had deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende wijze te verzoeken zijn portret voor dezen bundel te teekenen. Ik weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker genoegen in, voor slot-teekening den nièt in mijn geest schrijvenden, afstootenden auteur van dit boek (hoe vindt zoo iets ’n uitgever en ’n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.

S. F.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings