Note 107 — van 1816 tot 1861.
Reading edition
Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, een zestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.