Note 84 — van 1816 tot 1861.
Reading edition
Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-Indische Maatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”