Note 73 — van 1816 tot 1861.
Reading edition
In het begin van 1831 adverteerde de Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, dat provisioneel geene wisselbrieven op het Ministerie van Koloniën zouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3den Mei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten in Zuid-Nederland (de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in den financiëlen staat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen worden ondergaan.”73 Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister van Koloniën eenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt in finantiële zaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.