Note 49 — van 1816 tot 1861.
Reading edition
Bijna bij elk te kort dat in den loop der tijden in de koloniale kassen ontstond, had men de toevlugt genomen tot het maken en uitgeven van kaartengeld. Een tijd lang was dit goed gegaan, daar dit kaartengeld, bij gebrek aan ander circuleerend medium, tegen de waarde van klinkende munt werd aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van, dat het soms hooger dan contante klinkende specie gewaardeerd werd. In den Engelschen tijd echter onderging het eene belangrijke daling; bij de komst van Bonham tot het bewind, in 1811, was het kaartengeld zoo laag in waarde gedaald, dat ƒ 48 kaartengeld gelijk stond met een pond sterling of ƒ 12 dus als 4 tot 1. Door den ijver van Bonham, die bezuinigingen invoerde en die naauwlettend toezag op de administratie van ’s lands finantiën, werd het zinkend crediet van Suriname hersteld en als een bewijs hoeveel die goede zorg vermogt is het feit te noemen, dat tijdens de overgave der kolonie aan Nederland de agio op het kaartengeld slechts 25 procent bedroeg, dus 1¼ Surinaamsch tot 1 Hollandsch Courant49. Sedert dien tijd was er weder eene belangrijke daling gekomen, waarop wij reeds op bladz. 611 hebben gewezen.