Note 234 — van 1816 tot 1861. (continued 2)
Reading edition
In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen de provisioneele Inspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernement slaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijne EIGENE SLAVEN een begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten om de blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegeven en hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”