← Table of contents
Geschiedenis van Suriname

Note 229 — van 1816 tot 1861. (continued 2)

Reading edition

De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijke officieele berigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte in Suriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29sten December 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren, dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings