Note 236 — van 1816 tot 1861. (continued 2)
Reading edition
Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, om hun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.