Note 100 — van 1683 tot 1804.
Reading edition
Daar de slaven het talrijkste gedeelte der bevolking van Suriname uitmaakten, en men van hen, die in den regel slecht behandeld werden, oproer duchtte, werden er scherpe plakkaten en ordonnantiën uitgevaardigd om dat te voorkomen en hen in toom te houden. Zoo was het hun o. a. verboden de rivieren op en neder te varen; zonder schriftelijk verlof van hunne meesters mogten zij geen corjaren (eene soort van kleine vaartuigen) in eigendom hebben; niet met zwaarden of knuppels of messen met ijzeren holle hechten langs de straten gaan; des avonds na acht ure mogten zij zich niet meer op de straat vertoonen zonder eene brandende kaars in eene lantaarn; na negen ure niet bij elkander staan praten, of met elkander loopen, of zich op een verlaten erf begeven; na zons-ondergang was het hun niet veroorloofd in de Savanna’s of buiten de stad Paramaribo te gaan; terwijl de patrouilles vrijheid, ja last hadden op hen te schieten, indien zij op den eersten aanroep niet bleven staan. Voorts mogt men zonder verlofpassen van den meester hun geen kruid of lood of andere waren verkoopen, en niemand vermogt van hen goederen voor geld, buiten de markt, koopen; (notulen December 1726,) tevens was het aan een iegelijk verboden slaven, die in booten of ponten voor zaken hunner meesters te Paramaribo kwamen, bij avond of nacht bij zich aan huis te laten, veel min op te houden of te verbergen, daar de slaven òf in de vaartuigen blijven, òf in de woningen hunner meesters vernachten moesten, enz. enz.100