Note 538 — van 1683 tot 1804. (continued 3)
Reading edition
Malouet kwam met zijne vrouw en dochter in Julij 1777 in Suriname en werd aldaar met beleefdheid ontvangen538, die door hem met hoffelijkheid werd beantwoord. Malouet trachtte zich omtrent de over de Marowijne gevlugte Marrons met Nepveu en de Raden van Policie te verstaan. In zeer beleefde termen, doch daarom niettemin ernstig, gaf hij onze regering gewigtige lessen. Hij schreef het wegloopen van slaven in Suriname (aldaar meer dan elders) toe; eerstelijk: aan het niet beteugelen der meesters in het mishandelen hunner slaven; die meesters noemde hij »de eygenlyke stigters van de binnenlandsche wanordens”; en de regering, die zoodanige misbruiken dulde en den slaven alle bescherming ontzegde uit een onregtvaardig inzigt voor den eigendom van den meester, »oorzaak dat de eygendom en de veyligheyt der kolonie in de waagschaal werd gesteld”;