Note 220 — van 1683 tot 1804. (continued 2)
Reading edition
De gevreesde vijandelijke inval der Franschen en daardoor noodzakelijk geachte verdediging, had ook vele onkosten te weeg gebragt.—Steeds schoorvoetende en onder gestadig protest, waren daarvoor door de Kolonisten gelden verleend.220—Wel werd in Julij 1747 door sommige burgerofficieren, mede uit naam van verscheidene voorname ingezetenen, eene vrijwillige contributie tot dat einde aangeboden, maar daar men het daarbij beoogde doel om door het benoemen van commissarissen uit hun midden invloed en medegezag te erlangen, niet bereikte, trad men weldra weder terug, en zocht allerlei uitvlugten, zoodat het Hof besloot een geldleening te sluiten. »Doch nu was,” schrijft Mauricius, in zijn dagboek,221 »niemant t’huis, alle die pofhansen, die spraken van gouden bergen te GEEVEN, houden nu de handen binnen, nu men maar spreekt van te LEENEN, of van te AVANCEEREN, ’t geen zij toch over drie maanden so voor hen als in hun qualiteit, sullen moeten betalen. Ik en eenige raden houden ’t onderwijl nog gaande met verschotten.”