Note 167 — van 1683 tot 1804. (continued 2)
Reading edition
»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167 »heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugd steeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”