Note 132 — van 1683 tot 1804. (continued 2)
Reading edition
Eigenaardig was ook de aanspraak, die Quako, een andere negerkapitein, aan de slaven deed, welke met de commissarissen waren medegekomen en aldus luidde: »Gij zijt slaven, ik ben het ook geweest;132 als Creool uit uwe streek, ben ik van kindsbeen bij de blanken geweest, en heb ook bij die gelegenheid de slaven met hun goed en hun kwaad leeren kennen, en weet dat ook onder u vele schelmen zijn. Gij gaat nu met deze blanken weder terug, nadat gij hier vele dingen hebt gehoord en gezien; ik waarschuw u wel te zorgen, dat gij noch aan uwen meester noch aan uwe medeslaven onwaarheden vertelt of iets verdraait, waardoor onze goede voornemens met de blanken vernietigd zouden kunnen worden; want zoo ons zulks ter ooren kwam, zouden wij u levend verbranden; gaat nu heen, draagt zorg voor uwe meesters, past den zieken heer133 goed op en zoo gij wegloopt, zullen wij u braaf afrossen en gebonden weder bij uwe meesters brengen.”