← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH.

Reading edition

[Voetnoot 1: Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld in jahrbuch d.V.f.N. Sprachf., XII, 106; XV, 39 flgg.]

[Voetnoot 2: Ged., bl. 127.]

[Voetnoot 3: Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op de Gedichten, bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot de heren o.a. bl. 16, 23–24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127–8; 109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14–18; 166, 224; 183, 115; 216, 257. Van den X Gheboeden op bl. 12 der Gedichten.]

[Voetnoot 4: Ged., bl. 45, 32–34; 71, vs. 14–17; 155, 153–4.]

[Voetnoot 5: Ged., bl. 173, 131–2.]

[Voetnoot 6: Ged., bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.]

[Voetnoot 7: Ged., p. 73, no. 34; 195, 38–42; p. 240 (no. 114). Over den invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot de Stroph. Ged. (edd. FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.]

[Voetnoot 8: Ged., bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65–7; 71, 25 vlgg.; 149, vs. 46.]

[Voetnoot 9: Vgl. o.a. Ged., 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5–8; 107, 18; 156, 77–78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139–141.]

[Voetnoot 10: Ged., 25, 8; 36, 12–25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55, 190; 146, 290–2.]

[Voetnoot 11: Ged., 164, 26; 109, 149 vlgg.]

[Voetnoot 12: Ged., bl. 40 (no. XIX Van Mer.); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101, 73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.]

[Voetnoot 13: Opvatting zijner taak als dichter vgl. Ged., 16, 1; 45, 18–20; 53, 1; 66, 9–10; 169, 10–23; 247, 5–7. Over zijn zwerven en zijn tegenspoeden, bl. 183 (Van der Avontuer); invloed zijner poëzie: Ged., 226, 17–21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs. 9–10; 183, 1–8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202, 213-'6. Nalatenschap Inleid. tot de Ged., IX.]

[Voetnoot 14: Ged., 2, 116–117; 31, 109–132; 245, 137–150.]

[Voetnoot 15: De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliau du Boucher d'Abbeville (Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.]

[Voetnoot 16: Ged., 242, 36.]

[Voetnoot 17: Ged., bl. 116.]

[Voetnoot 18: Ged., bl. 236.]

[Voetnoot 19: Ged., bl. 117; vgl. ook vs. 16 „mit anxten zeer bevaen" en vs. 20, 23.]

[Voetnoot 20: In Het Lied in de Middeleeuwen, bl. 605 vlgg. is door mij aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten (vgl. bl. 616–617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: „als ic las."]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings