← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — TUSSCHENSPEL.

Reading edition

[Voetnoot 2: I, vs. 59–62.]

[Voetnoot 3: Vgl. de uitgaaf in mijne Mnl. Ep. Fragmenten, p. 57 vlgg., vs. 103–4, 110–112, 267–9, 316–7, 340, 547–550; bovendien hebben wij slechts een deel der vertaling over.]

[Voetnoot 4: A.w. IV, 7325 vlgg.]

[Voetnoot 5: Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne Geschiedenis, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne Geschiedenis, bl. 218–229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten opzichte der dateering van den roman van de Roos deel ik TE WINKEL'S zienswijze. Was de roman van Olivier van Spaengen (Limb., III, 800–807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?]

[Voetnoot 6: KAUSLER, Denkmäler, III, 93.]

[Voetnoot 7: A.w. vs. 23394–23553.]

[Voetnoot 8: Vgl. over den Roman de la Rose, PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 105–161.]

[Voetnoot 9: Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.]

[Voetnoot 10: Vgl. vs. 2992 (voor: „por nule riens vivant"); 4916; 7044 („mainte terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013–4, waar in het Fransch: „trestous li ors de Romme".]

[Voetnoot 11: Vgl. VAN DEN BERGH'S Inleiding, IV.]

[Voetnoot 12: Vgl. den aanvang van boek II-IX.]

[Voetnoot 13: Vgl. Limb., VII, 1683–5 met Flor. en Blanc., Proloog, vs. 1–12, 65–75; Limb., XI, 642–5 met Eerste Martijn, vs. 430–1.]

[Voetnoot 14: Limb., I, 1316 vlgg.; het tooneel der „justicie" alleen in de 2e bewerking van Flor. en Blanc. (het Fransche gedicht nl.), vs. 359–902. Lanc., I, vs. 19208 vlgg.]

[Voetnoot 15: Limb., IV, 248–250 te verg. met De Vier Heemsk. (ed. MATTHES), p. 26.]

[Voetnoot 16: Limb., X, 1013 vlgg. te verg. met Lorr. in Mnl. Ep. Fragm., bl. 132–3.]

[Voetnoot 17: Limb., XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, Oudvl. Ged., I, 6 vlgg.]

[Voetnoot 18: Limb., IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374–6).]

[Voetnoot 19: Limb., V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546–7; zie ook nog VIII, 574–5.]

[Voetnoot 20: Limb., III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.; X, 279 vlgg.]

[Voetnoot 21: Vgl. de uitgave van WILLEMS, Introd., VIII. Misschien was de berijmer ooggetuige. (Introd., VII; vgl. echter vs. 8221).]

[Voetnoot 22: Vgl. vs. 3372–3; 4084–5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808 vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410–12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen.]

[Voetnoot 23: Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat „Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025–8.]

[Voetnoot 24: Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg. Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.]

[Voetnoot 25: Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door Dr. TE WINKEL in zijne Geschiedenis der Ned. Lett., bl. 355–367. De bovengenoemde verhalen vindt men: Sp. Hist., V, 1, 28–30, en VI, 4. Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.]

[Voetnoot 26: Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170–171.]

[Voetnoot 27: Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.]

[Voetnoot 28: Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.]

[Voetnoot 29: Vgl. TE WINKEL'S Gesch. der Ned. Lett., bl. 381–3. Het eerste deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw opgesteld.]

[Voetnoot 30: Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40–151 in verband met eene plaats uit Boek IV. (I, p. 224): „God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.]

[Voetnoot 31: III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.]

[Voetnoot 32: II, 644-'7; IV, 263 enz.]

[Voetnoot 33: Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.]

[Voetnoot 34: In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in plaats van VIII, 791–2.]

[Voetnoot 35: I, 76, 531.]

[Voetnoot 36: Eerste Martijn, vs. 109–110, 665; Sp. Hist., III, 8, c. 93, 185.]

[Voetnoot 37: Gedichten, bl. 3, 180; 125, 174.]

[Voetnoot 38: Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen door E. VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.]

[Voetnoot 39: Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht door Mr. S. MULLER FZ., I, 165.]

[Voetnoot 40: Dietsche Warande, IX, 147, 150. De naam Nederland in de vertaling van het Nibelungenlied (II, vs. 11) heeft hier geen bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.]

[Voetnoot 41: Vs. 131-'3.]

[Voetnoot 42: Inl. XXXVI-XXXVII.]

[Voetnoot 43: W.L. DE VREESE, Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van Ruusbroec, bl. 10, 19.]

[Voetnoot 44: Vs. 3175–6.]

[Voetnoot 45: Vs. 1585–7.]

[Voetnoot 46: Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL FRÉDÉRICQ te Gent.]

[Voetnoot 47: Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL gegeven in zijne Geschiedenis der Ned. Lett., bl. 541–544.

Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig, reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin, afgedrukt in Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid van Zeeuwsch Vlaanderen, V, 1 vlgg.

Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het Oosten des lands achteraankomen.]

[Voetnoot 48: WARNKÖNIG, Hist. de la Flandre, III, 171.]

[Voetnoot 49: Belg. Museum, II, 387.]

[Voetnoot 50: WARNKÖNIG a.w.]

[Voetnoot 51: Belg. Mus., II, 388–9.]

[Voetnoot 52: Vgl. VANDERKINDERE, Siècle des Artevelde, p. 31; PIRENNE a.w. I, 104; II, 7; I, 408 vlgg.]

[Voetnoot 53: Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh. en STOKE V, 222-'30.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings