← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — ONTWIKKELING VAN HET LITERAIR LEVEN.

Reading edition

[Voetnoot 1: Vgl. Mr. S. MULLER FZ., De Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht (ao 1325, 1329, 1332), I, 567, 383; Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis (ed. HAMAKER), III, p. 49, 92 vlgg.; Cameraars-rekeningen (ed. VAN DOORNINCK), I, 47, 84; II, 20, 308, 783; III1, 498, 518 (ao 1339, 1340, 1360, 1365).]

[Voetnoot 2: Vgl. Oudste Burgemeesters rekening van Middelburg (ao 1364), uitgeg. door het Historisch Genootschap in Codex Diplom. Neerl., 1853, II, p. 5, 6. Oudvl. Lied. en Ged., p. 267 en Versl. en Med. Kon. Akad., 3e Reeks, XII, 164, vs. 144.]

[Voetnoot 3: Vgl. Dits et Contes de Baudouin de Condé.... par AUG. SCHELER, I, 153: Li Contes des Hiraus; I, 448 een citaat uit de Hist. Litt. de la France, XXIII, 272; „A la fin du XIIIe siècle la profession des hérauts etc."

In het tweede der vier boven aangehaalde verzen staat in den tekst lecken berden. VERDAM wil hiervoor lezen: leckeberden in den zin van flikflooien. Doch op andere plaatsen schijnt dat w.w. niet voor te komen (Mnl. Wdb. i.v.). De emendatie blijft dus twijfelachtig voor mij. Wat beteekent bert hier? In de beteekenis schotel schijnt het niet voor te komen. Kan het misschien (wapen)bord beteekenen? Zoo ja, dan zouden wij daarin een duidelijker toespeling op de herauten hebben.]

[Voetnoot 4: Belg. Mus., VII, 318.]

[Voetnoot 5: Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen, bl. 63; Cam. Reken., III, 1, p. 624 (ao 1366); III, 2, p. 239 (ao 1369); Reken. der Graf. v. Holland onder het Heneg. huis, III, 385; Goede Boerden, p. 37 vlgg.]

[Voetnoot 6: Al deze sprekers worden vermeld in de excerpten der Grafelijkheids-rekeningen achter JONCKBLOET'S Mnl. Dichtk., Deel III. COLPAERT in Vad. Mus., I, 50. De Holsteinsche Hopezomer wordt ao 1392-'3 jong genoemd en kan dus niet dezelfde zijn als zijn naamgenoot de heraut.]

[Voetnoot 7: KAUSLER, Denkmäler, III, 114.]

[Voetnoot 8: Vad. Mus., I, 335, vs. 44 vlgg.; Vierde Martijn, vs. 789–791; Van den Borchgrave van Couchi, I, 94 vlgg.]

[Voetnoot 9: Die naamdichten (voor Marie, Liegaert, Lauwerette, Violette Calle e.a. volgens aanwijzing van ARNOLD in D. War., I, 542) in Oudvl. Lied. en Ged.]

[Voetnoot 10: Grimb. Oorlog, I, 12–21; Sp. der Zonden, vs. 7739-'40; Oudvl. Ged. (ed. BLOMMAERT), III, 115; Teestije, vs. 1615 vlgg.; 922 vlgg.; Lekensp., III, c. 4, 190–2. Misschien zouden wij in dit verband ook de zonderlinge Tweespraak van Scalc ende Clerc moeten behandelen (vgl. TE WINKEL, bl. 310; ook m.i. is zij stellig niet van MAERLANT). Doch zoolang wij dit gedicht slechts in zoo gebrekkigen tekst kennen, is het beter zich van een oordeel te onthouden.]

[Voetnoot 11: Vgl. N. Doct., vs. 19 vlgg.; Leven Van S. Amand, 1379 vlgg.; Theoph., 28–29; Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 12; Vaghevier van S. Patr., 24–26; Bed. der Missen aan het slot; Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 41 vlgg.; S. Kerstine's Leven, vs. 151–3; Der Ystor. Bloeme, 36–40, 725 vlgg.]

[Voetnoot 12: Over LOD. VAN VAELBEKE vgl. Lied in de Midd., bl. 587; maar vooral: VANDER STRAETEN'S Les Ménestrels aux Pays-Bas, p. 88 suivv. OTTE VAN ORLEIEN, Vad. Mus., II, 394; de hand van een geestelijke of clerck meen ik te zien in Couchi, II, 1628 vlgg., 1746-'7, 2171 vlgg.; de bedoelde wapendichten in Belg. Mus., V, 104 vlgg.; het groot aantal assoneerende rijmen in Jonitas en Rosafiere (zeker een 40-tal op 1200 verzen) zou aan een volksdichter doen denken; de rijmen van BOUDEN VAN DER LOREN zijn over het algemeen zuiver, terwijl men in de overige wenschliederen nog al wat assoneerende rijmen aantreft. Over JAN VAN HULST vgl. een artikel van ARNOLD in D. Warande, (N. Reeks), I, 542 en de Inleiding tot de Oudvlaemsche Lied. en Ged. Een nauwkeurig onderzoek der onderscheiden liederen en gedichten van dezen bundel zal misschien meer zekerheid brengen aangaande de makers of den maker; het komt mij voor dat althans de twee groote allegorische gedichten op bl. 233 vlgg. en 314 vlgg. van dezelfde hand zijn die vele der liederen schreef: op bl. 266 vindt men een viertal verzen die hier en daar letterlijk herinneren aan eenige uit het lied op de „kerels". Vgl. ook bl. 311–312 met no. 36, no. 103, no. 140 (de kleuren). De liederen op bl. 247, 261, 276, 279, 280, 294, 303, 311 herinneren door vorm en inhoud aan vele der 145 die den bundel openen.

Op bl. 459 wordt Brugge genoemd als woonplaats van den dichter; juist dat gedicht vertoont in de aanvangsletters zijner laatste verzen den naam JAN MORITOEN; dezelfde als JAN VAN HULST? Over den zanger EGIDIUS te verg. no. 98 en no. 100 der Oudvl. Lied. en Ged.; op p. 470 van dien bundel eene klacht die aan hem doet denken; voorts Tijdschr. v. Ned. T. en L., XI, bl. 286–7, 289–292.]

[Voetnoot 13: Belg. Mus., X, 69.]

[Voetnoot 14: Vgl. Tijdschr. v. N.T. en L., XXIII, 46; Leven van S. Amand, I, 676, 2807, 3920; Goede Boerden, p. 4; Belg. Mus., X, 69; KAUSLER, Denkm., III, 109, 203.]

[Voetnoot 15: De plaatsen over het hooren van poëzie zijn, na de vroeger vermelde, te talrijk om mede te deelen; ieder kan ze gemakkelijk vinden. Vgl. overigens: Vad. Mus., I, 337; Belg. Mus., X, 57.]

[Voetnoot 16: Vgl. Werken (ed. DAVID), I, bl. IX.]

[Voetnoot 17: Het Leven van S. Kerstine ondernomen op verzoek der geestelijke jonkvrouw FEMINE VAN HOYE; VELTHEM berijmde voor loon zijne voortzetting van den Sp. Hist. op verzoek van de Vrouwe VAN BERLAER; de Brabantsche Yeesten werden gemaakt in opdracht van Heer WILLEM BORNECOLVE, een aanzienlijk Antwerpenaar; de Grimb. Oorlog werd „beschreven en gedicht" op verzoek waarschijnlijk van een edelman (zie vs. 6167 vlgg. en 6600-'2 van het tweede deel); Tondalus Visioen voor een „edele Jonfer".

De beide rekeningposten in JONCKBLOET'S Gesch. der Mnl. Dichtkunst, III, 618, 611.]

[Voetnoot 18: DE LANGE VAN WIJNGAERDEN, Geschied. van Gouda, I, 187 (omstreeks 1387).]

[Voetnoot 19: Vgl. over dien roman Middelned. Ep. Fragmenten, bl. 263–4; voorts Das Epos von Isembard und Gormond.... von Dr. R. ZENKER, Halle a.S. 1896; THEODOR FLURI, Isembart et Gormond (Züricher Diss., 1895); Romania, Avril, 1897, Janv. 1898.]

[Voetnoot 20: Vgl. het merkwaardig stuk van NAP. DE PAUW in Ned. Museum, 1879.]

[Voetnoot 21: Lekensp., B. III, c. 3, vs. 969 vlgg.]

[Voetnoot 22: Melib., 55–58. (Ook al komt deze plaats reeds in het origineel voor, dan blijft zij nog van gewicht); DE VREESE'S Bijdragen, bl. 15. Andere plaatsen waar m.i. gewag wordt gemaakt van lezen in onze beteekenis, zijn: Jans Teesteye, vs. 812-'4; Vlaamsche Rijmkroniek (in KAUSLER'S Denkmäler), vs. 4124-'5; Tondalus Visioen in den aanvang (ed. BLOMMAERT, II, 31: „So wie datter neerenstelic in wille lesen ende de woorden merken, hi sal" enz.]

[Voetnoot 23: Oudvl. Lied. en andere Ged., bl. 268.]

[Voetnoot 24: DE VREESE, a.w. bl. 24.]

[Voetnoot 25: Alex., vs. 6, 29; Merlijn, 6 vlgg.; Troyen, 24–26; Rijmb., I, 73 vlgg.]

[Voetnoot 26: Proloog v.d. Lekensp.; M.e.V. Heim., vs. 25 vlgg.; KAUSLER, Denkm., III, bl. 215.]

[Voetnoot 27: S. Amand, II, 5333 vlgg.; Tien Plaghen, 30–33; Sp. der Zond. I, p. 218.]

[Voetnoot 28: Oudvl. Ged., III, 105; Tien Plaghen, vs. 43–44.]

[Voetnoot 29: A.w. vs. 64 vlgg.]

[Voetnoot 30: Licht en Schaduw door SOERA RANA (I. ESSER JR.), bl. 6.]

[Voetnoot 31: A.w. (ed. BRILL), I, bl. 224; Boek X, vs. 40–151.]

[Voetnoot 32: A.w. I, 113 vlgg., 312 vlgg. Daarbij: Oudvl. Lied. en Ged., bl. 270 en Brab. Yeesten, V, 3181 vlgg.]

[Voetnoot 33: DE VREESE, t.a.p. bl. 13.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings