Editorial note — JACOB VAN MAERLANT.
Reading edition
Het Latijn heeft hier (in de bewerking van Bonaventura Vulcanius): „Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur."]
[Voetnoot 31: Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen op de uitgave der Strophische Gedichten door FRANCK en VERDAM.]
[Voetnoot 32: Vgl. over den dialoog: Inleid. der Stroph. Ged., LXXX; EBERT, Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt., II, 16; JEANROY, Les Origines de la poésie lyrique, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER, Trouvères Belges o.a. I, 6–7, 137, 139, 141.]
[Voetnoot 33: In sommige handschriften heet dit gedicht De derde Martijn.]
[Voetnoot 34: Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den kerkvader HIERONYMUS. Zie Inleiding, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' Ethica. Vgl. BURCKHARDT, Die Cultur der Renaissance, II, 90. Vgl. ook Heim. der Heim (ed. CLARISSE), vs. 1831–2; in het Latijn: „quia Deus creavit aequales."]
[Voetnoot 35: FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie Inleiding, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.
Nagevolgd werd de Eerste Martijn door een dichter die in 1299 den Vierden Martijn dichtte (uitgeg. door SERRURE in Vad. Mus., IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het dichten „op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter verzen dan deze dichter.]
[Voetnoot 36: Heim. der Heim. (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S Denkmäler, III, 289 vlgg.]
[Voetnoot 37: Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de Inleiding in VERWIJS' uitgave.]
[Voetnoot 38: Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den Sp. Hist. en TE WINKEL t.a.p. het Achtste Hoofdstuk.]
[Voetnoot 39: Vgl. Sp. Hist., III, p. 170, 204; TE WINKEL, Maerlant's Werken, p. 422–5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5–11.]
[Voetnoot 40: Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.]
[Voetnoot 41: Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, Lib. 24, c. 20): „Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore magno."]
[Voetnoot 42: Zie: Inleiding, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: hove || verscrove.]
[Voetnoot 43: Vgl. v.d. L. v. O., vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.]
[Voetnoot 44: Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.]
[Voetnoot 45: Vgl. Nat. Bl., II, 469-'76; 680 vlgg.; Rijmb., I, 78 vlgg.; 5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485–7; Sp. Hist., I, bl. 16, vs. 80 vlgg.]