Editorial note — INLEIDING.
Reading edition
[Voetnoot 7: Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S Deutsche Rechtsalterthümer, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin, p. 259 vlgg.; Nederd. Regtsoudheden, p. 298; Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd. Lett., 4e Reeks, Deel I; MOLL, Kerkgesch., II, 4, 225; Kroniek van Melis Stoke (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; Kerken Claghe, vs. 212; Moriaen, vs. 174–177; voorts Grimb. Oorlog, II, vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; Parthonopeus, vs. 1227; Limborch, II, 1862. In het Mnl. Wdb. zullen i.v. nog wel andere voorbeelden genoemd worden.]
[Voetnoot 8: Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van wat zij: inlapsels noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. Wie een citaat uit den Brandaen niet afdoend acht uit hoofde van mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in MAERLANT'S Alexander, I, 953–960; VII, 61–84; 93–105; Leven van S. Lutgarde, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694–6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III, 548–557; 850–864. Der Leken Spieghel, II, c. 48, vs. 668–685 (men lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). Der Minnen Loep, I, 2047–2060. STOETT, Syntaxis, p. 146; Hildegaersberch's Gedichten, 155, 203 vlgg.; 157, 129–138; 157, 1–15. FRANCK onderstelt in den dichter van het Leven der H. Lutgarde opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in Neue Jahrbücher für das Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit., Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432–434. F. denkt aan invloed van het Latijn).]
[Voetnoot 9: Deze en andere voorbeelden vindt men: Karel en Elegast (ed. KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; Sp. Hist., I, p. 34, vs. 21; Alexander, I, 1121; Moriaen, vs. 86, 3795; Tijdschr. v. N.T. en L., XVII, 297 vlgg.; Kar. e. Eleg., 100, 198; Merlijn, p. 72, vs. 6696; Lied in de Middeleeuwen, bl. 572; STOETT, Syntaxis, p. 121; BOTERMANS, Die hystorie van die seven wijse mannen van romen. Proefschrift, p. 50; Leven van Sinte Lutgart (ed. VAN VEERDEGHEM). Inl. XXXVI.]
[Voetnoot 10: Torec, 3800–3804; 3738-'41; Moriaen, 355, 573, 972; Karel en El., 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S Syntaxis, p. 144.
Het verwante verschijnsel in mijne Mnl. Ep. Fragmenten, p. 187; behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: Flovent, 395; Madelghijs Kintsheit, p. 69, vs. 40; Aiol (Vlaamsche redactie), vs. 663; Karel de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen), p. 12, vs. 287; p. 31, vs. 872 (weer het eerste verschijnsel. LONGINUS of althans de schrijver van het boek Περι Υφονς [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI de Sublimitate (ed. B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.]
[Voetnoot 11: Vgl. TE WINKEL'S Maerlant, p. 257, noot 2; WYBRANDS, De Abdij Bloemhof, p. 72; Naturen Bloeme, II, 690–2; MOLL, Kerkgesch., II, 2, 78; Brab. Yeesten, V, 144–146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, Stud. en Bijdr., II.]
[Voetnoot 12: DEWEZ, Histoire générale de la Belgique, III, 43; HEELU'S Slag bij Woeringen, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL, A.v.R., o.a. p. 100–101; PIRENNE I, 416, 422.]
[Voetnoot 13: BLOK a.w. I, 175.
Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap, XXIII, 43.]