← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Note 4 — GEESTELIJKE EPISCHE POËZIE EN PROZA.

Reading edition

o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer geschrapt worden.]

[Voetnoot 12: Ed. VERDAM, vs. 74–6, 95–116, 319–340.]

[Voetnoot 13: Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.]

[Voetnoot 14: Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.]

[Voetnoot 15: Vgl. CREIZENACH, Gesch. des neuern Dramas, I, 147. Ook in de geschiedenis der „verduldige Helena van Constantinopel".]

[Voetnoot 16: Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.]

[Voetnoot 17: In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Venetië.]

[Voetnoot 18: De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in KIST'S Kerkhist. Archief, II, 1–48; door STALLAERT vergeleken met het rijmwerk in D. Warande, 1891, 28–36.]

[Voetnoot 19: Uitgeg. in BLOMMAERT'S Oudvlaemsche Ged., II, 31 vlgg. Zie ook: de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken door W. DE VREESE, I, 145. Voorts: Visio Tnugdali.... A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: „con una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (Sitzungsber. der Wiener Akad. phil.-hist., Cl. Bd. 67, 157–206). Met het oog op de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.

Eene uitvoerige en goede karakteristiek van Tondalus Visioen, uit een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het Tweem. Tijdschrift van 1901.]

[Voetnoot 20: Rumbeeksche Avondstonden, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is gedagteekend: 28 Sept. 1399.]

[Voetnoot 21: DE VOOYS, Mnl. Legenden, p. 15.]

[Voetnoot 22: Vgl. Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote.... door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.]

[Voetnoot 23: Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in Versl. en Meded. der Vereen. voor oude Ned. Lett., II, 5–32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569–572.

Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in Feestbundel aan M. de Vries opgedragen, p. 103. Over „PAEP JAN" vgl. Zeitschr. f.d. Alt., N.F. XXI.]

[Voetnoot 24: Vgl. Stemmen uit den Voortijd.... door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140 vlgg., 162, 164–5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).]

[Voetnoot 25: Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S Gesch. der deutschen Mystik, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.]

[Voetnoot 26: ECKHART leefde van 1260–1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.

Een paar uittreksels uit de Epistolae Haywigis in een hs. van 1360-'70; vgl. Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken, I, 425.]

[Voetnoot 27: Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in Ned. Archief voor Kerkgesch., N.S., 3e deel en in De XXe Eeuw, IX Jaarg. Vgl. voorts: De Handschr. v. J. v. Ruusbroec, II, 642.

Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl. daarover de Inleiding op: Meister Eckhart und seine jünger.... herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.]

[Voetnoot 28: Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. Einl., XIV. DE VOOYS, Mnl. Leg. p. 325.]

[Voetnoot 29: Ned. Archief voor Kerkgesch., N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.]

[Voetnoot 30: De Limburgsche Sermoenen (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in Taal en Letteren, Jaargang VIII.]

[Voetnoot 31: Vgl. PREGER a.w. II, 3–246. Het in de Limb. Sermoenen voorkomend buec vanden Palmboeme is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p. 52–53 vermelde der Palmbaum; Dboec vanden boegarde doet denken aan den Baumgarten waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.]

[Voetnoot 32: Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.]

[Voetnoot 33: Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.]

[Voetnoot 34: Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der 14e eeuw, dat aanvangt: „Hier beghint die prologus van desen boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van haren visioenen."

In den aanvang der 15e eeuw waren „Machteldis revelacien" te onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot aantal „stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan „die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL, Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster, p. 32–33.

In diezelfde boekerij vond men een boek van Maria van Ogines (t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.

Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk onderzoek.]

[Voetnoot 35: Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr. DE VOOYS (in: De XXe Eeuw, 9e Jaargang) die o.a. over den „goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.]

[Voetnoot 36: Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van Ruusbroec.... door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S Deutsche Mystiker, II, 3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH, Deutsche Hands., I, 66; Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr. 1884.

Eene vertaling van De Chierheit der geesteleker Brulocht gaf MAURICE MAETERLINCK (L'Ornement des noces spirituelles); eene bloemlezing van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: Rusbrock l'Admirable, (Paris, 1902).]

[Voetnoot 37: Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van „broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.]

[Voetnoot 38: Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in Oud-Holland, XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.]

[Voetnoot 39: VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168–9; DE VREESE'S Bijdragen, bl. 8, 13.]

[Voetnoot 40: Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, „die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.]

[Voetnoot 41: Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.]

[Voetnoot 42: Eene andere voorstelling van het Innige Leven bij RUYSBROECK wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265–269.]

[Voetnoot 43: VAN OTTERLOO, bl. 128.]

[Voetnoot 44: ECKHART spreekt van istigkeit, entgeisten, weiselos; RUYSBROECK van: istegheit, ontgeesten, wiseloos. Beiden gebruiken de uitdrukking Funken der Seele, vonke der sielen, zij het misschien niet in geheel dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake is) ais: die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee doen aan dergelijke van ECKHART denken.]

[Voetnoot 45: Uitgave DAVID, VI, 173.]

[Voetnoot 46: Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S Expositio tabernaculi foederis (MIGNE, Patrol., T. 196, p. 211 seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S de Archa Morali (MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.]

[Voetnoot 47: Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121–2, 178–9; IV, 83–4, 108 vlgg.]

[Voetnoot 48: A.w. I, 2, p. 146; III, 198.]

[Voetnoot 49: Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167–8.]

[Voetnoot 50: A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256–7 (geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.]

[Voetnoot 51: A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208–9; IV, 104); VI, 230.]

[Voetnoot 52: Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met „ende" verbonden); IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57–8; 250.]

[Voetnoot 53: Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.]

[Voetnoot 54: VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.]

[Voetnoot 55: I, 248–9. Vgl. ook III, 59–60: „En daer an en leghet niet allene" enz.]

[Voetnoot 56: Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240–1. Vgl. andere voorbeelden in Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894) en in Ned. Museum, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.]

[Voetnoot 57: Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: Die antike Kunstprosa (van de 6e eeuw vóór Chr.—Renaissance), vgl. Museum, 1899, no. 9.]

[Voetnoot 58: I, 67.]

[Voetnoot 59: Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38–9; Werken, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).]

[Voetnoot 60: Werken, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; Werken, VI, 61; III, 61; 104.]

[Voetnoot 61: Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156–7.]

[Voetnoot 62: V, 57–9.]

[Voetnoot 63: CLAEYS a.w. bl. 33.]

[Voetnoot 64: Vgl. IV, 15.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings