Editorial note — DIRC POTTER.
Reading edition
[Voetnoot 1: Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave van Der Minnen Loep. Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft in Het Land van Rembrand menige aardige of geestige opmerking over POTTER en der Minnen Loop ten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard—wie het om historische waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen, dat ook in Het Land van Rembrand de schrijver der Literaire Fantasieën aan het woord is.]
[Voetnoot 2: Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet gemakkelijk. Uit Der Minnen Loop zou men opmaken, dat POTTER reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I, 73: „vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werk Bloeme der Deugden, spreekt P. van Der Minnen Loop als van „een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."]
[Voetnoot 3: I, 169; II, 2394.]
[Voetnoot 4: Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.]
[Voetnoot 5: De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL, bl. 508 vlgg.
De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men in Der Minnen Loop, II, 705–6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde opgenomen in Van Vrouwen ende van Minne, no. II (Inl. XVI).]
[Voetnoot 6: II, 560, 1430; IV, 2276.]
[Voetnoot 7: II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.]
[Voetnoot 8: I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18; IV, 38 vlgg.; 1839-'42.]
[Voetnoot 9: II, 665–704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621–2; III, 191; IV, 1089 vlgg.]
[Voetnoot 10: I, 1225-'30; 2700 vlgg.]
[Voetnoot 11: I, 459–460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798–1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365–386, 612 vlgg.]
[Voetnoot 12: I, 1280 vlgg.; 585–6, 613–614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.]
[Voetnoot 13: I, 736 vlgg.]
[Voetnoot 14: II, 297 vlgg.]
[Voetnoot 15: II, 1299–1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.]
[Voetnoot 16: Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den titel Dat Bouck der Bloemen (Hoogstraten, L. VAN HOOF—ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7–12) leest en dan let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de „yseren roede" vgl. M. Loop, I, 78–79), op het „boec van wer(l)tlijker minnen" dat hij „in jonghen tijden maecte te rome", op alle in Der Minnen Loop voorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek worden genoemd. De „lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van Froissard.]
[Voetnoot 17: Vgl. bl. 9, 54, 97.]
[Voetnoot 18: Bl. 35–36.]
[Voetnoot 19: Bl. 9.]
[Voetnoot 20: Bl. 79.]
[Voetnoot 21: Vgl. b.v. bl. 10, 31 (wreetheit), bl. 85 (gierigheid) en passim.]
[Voetnoot 22: Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.]
[Voetnoot 23: I, 66; II, 636.]
[Voetnoot 24: I, 1–25; III, 1–17.]
[Voetnoot 25: Bl. 44.]
[Voetnoot 26: I, 2613; II, 3207.]
[Voetnoot 27: Der Minnen Loop, III, 98 vlgg.; Bl. der Deugden, bl. 43.]
[Voetnoot 28: M. Loop, II, 721 vlgg.; Bl. der Deugden, bl. 101.]
[Voetnoot 29: Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijd Giotto schijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet ontzenuwen.]