← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.

Reading edition

[Voetnoot 18: Karlmeinet (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296b, vs. 48 vlgg.]

[Voetnoot 19: Vgl. o.a. Mnl. Wdb. i.v. III, kol. 592.]

[Voetnoot 20: A.w. II, vs. 5089, 6271.]

[Voetnoot 21: Proloog, vs. 3 vlgg.; 72–5.]

[Voetnoot 22: Eenige bewijsplaatsen uit vele: Mnl. Ep. Fragm., bl. 124; Flor. en Blanc., 16; S. Lutgart, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393, 13817; III; 68, 2737; Roel., 210; Merlijn, vs. 545; L.o.H., vs. 17.]

[Voetnoot 23: Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek verdienen.]

[Voetnoot 24: A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.]

[Voetnoot 25: II, 29408.]

[Voetnoot 26: Vgl. CREIZENACH, Gesch. des neueren Dramas, I, 380. Over het voordragen met „Stimmenwechsel" ald. 34, 160.]

[Voetnoot 27: Vgl. BREHM'S Leven der Dieren (bewerking van HUIZINGA), II, 227–8.]

[Voetnoot 28: Sp. Hist., I, 280 (2e kol.):„,Maer die scone bispele || Diemen gerne lesen hort"; Bere Wiss., 391: „daer ic vormaels ave las"; Ferg., 4509: „dus gedaen dinc hordic noit lesen"; Rijmb., 27099: „Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment leest bi sullen wesen" (de toehoorders).]

[Voetnoot 29: II, 168. Vgl. voorts Mnl. Wdb., IV, kol. 403–4.]

[Voetnoot 30: Moriaen, 2506–7: „Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man lesen no singhen"; Walewein, 4994; Troyen (Epis. ed. VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: „Jamès hom n'orra tel esforz"; Leven v. S. Lutgart, II, 3157, 5580, 7631.

Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den Reinaert, I, 2981 en Mnl. Wdb., IV, p. 392, 394, 395, 396.]

[Voetnoot 31: D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.

Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in Mnl. Wdb., I, kol. 1337.]

[Voetnoot 32: Vs. 2197–8.]

[Voetnoot 33: Vgl. o.a.: Reinaert, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en pass.; Aiol, 25, 602, 615, 983; Van Sente Brandane, C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; Moriaen, 1688–90; Lancelot, II, 10–11.

Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd, die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn Leven van S. Lutgart ten onrechte stoplappen noemt.]

[Voetnoot 34: Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: Neue Jahrbücher für das klassische Altertum etc., XIII Bd., 6. Heft.]

[Voetnoot 35: Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.]

[Voetnoot 36: Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (Kar. de Groote en zijne XII. Pairs), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl. 74–75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in Tijdschr. v. N.T. en L., III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.

Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere rubricae is het misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.]

[Voetnoot 37: Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener „lesse" in vs. 1867 en vs. 2842?]

[Voetnoot 38: Inleiding, p. XXXV.]

[Voetnoot 39: I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal „amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234.]

[Voetnoot 40: II, 47–51.]

[Voetnoot 41: A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165–7.]

[Voetnoot 42: Epis., vs. 6676–7.]

[Voetnoot 43: Nat. Bl., bl. 169, vs. 4029–4030.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings