← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK.

Reading edition

Vgl. ook XI, 149: „blasen ende pipen" in verband met het woord „noten" in vs. 151.]

[Voetnoot 4: Eerste Martijn, vs. 371–388.]

[Voetnoot 5: A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.]

[Voetnoot 6: Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk., II, 230, vs. 493–4.]

[Voetnoot 7: Vgl. b.v. Moriaen 4641–2: „Menestrele ende yraude mede || Ward daer gegeven grote rijchede"; Lorr. (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. Torec, vs. 2714-'5: „Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi alle gichte danne". Dat menestreel verdietscht werd met speelman, zien wij in Karlmeinet, A. 287, vs. 12–13:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings