← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — II.

Reading edition

[Voetnoot 24: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S Historie van Troyen door Dr. J. VERDAM, p. 27–28.]

[Voetnoot 25: Vgl. BEHAGHEL'S Einleitung, S. CLXXXVI flgg.]

[Voetnoot 26: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in PIPER'S Spielmannspoesie. Vgl. voorts: Grundriss, II, 1, 305 vlgg.]

[Voetnoot 27: Vgl. Reinaert (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. Ermenrijc en W. MÜLLER, Mythologie der deutschen Heldensage, S. 178.]

[Voetnoot 28: Vgl. KLEYN'S Catalogus in Archief voor Ned. Kerkgesch., II, 147.]

[Voetnoot 29: Over die tijdsbepaling Grundriss, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE houdt het er voor dat B. „um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. (Das Nibelungen-Lied, Einl., S. XIV).]

[Voetnoot 30: Boek II, 115.]

[Voetnoot 31: Teuthonista (ed. VERDAM), p. 486: „die witte wech des nachtes an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait, galaxia."]

[Voetnoot 32: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne Middelned. Epische Fragmenten, p. 1–3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in De Gids, 1889, I, 29–79.]

[Voetnoot 33: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn voortreffelijk Gids-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: Der Nibelunge Nôt. (Leipzig. BROCKHAUS, 1870–1880) waarin men ook de varianten der hss. vindt.]

[Voetnoot 34: Vgl. Middelned. Ep. Fragmenten, bl. 9–32; het genoemde stuk van Dr. FRANTZEN in De Gids en de uitgave van E. MARTIN in Quellen und Forschungen, 65. Heft.]

[Voetnoot 35: Vgl. Mnl. Ep. Fragmenten, bl. 10.]

[Voetnoot 36: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.]

[Voetnoot 37: Sp. Hist., IIIe Deel, bl. 170, 204.]

[Voetnoot 38: Vgl. Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis, III, p. 96.]

[Voetnoot 39: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: 1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, Bijdrage tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten; 3o. Van Sente Brandane in Tijdschr. v. Ned. T. en L., VII, 85 vlgg.; 4o. Romanische Studiën.... von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.

De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.]

[Voetnoot 40: Vgl. Van Sente Brandane (ed. BONEBAKKER), p. 10.]

[Voetnoot 41: Vs. 249–251.]

[Voetnoot 42: Het hier en elders in den Brandaen voorkomende aerme scaren (zie BONEBAKKER'S Aant., p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord harmschare (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van „keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van „blide scare" voor hemelbewoners; zie Stroph. Ged. edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen van haar critisch vernuft.]

[Voetnoot 43: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075–1081, H. 1022–1028.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings