Editorial note — I.
Reading edition
[Voetnoot 4: Leven van Sint Amand (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303.]
[Voetnoot 5: PIRENNE, Geschichte Belgiens, I, 91.]
[Voetnoot 6: Bonifacins door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86.]
[Voetnoot 7: PIRENNE, t.a.p. I, 86–7.]
[Voetnoot 8: Vgl. hier als elders BLOK'S Geschied. v.h. Nederl. Volk.]
[Voetnoot 9: Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede „over Angelsaksische Poëzie" (1899).]
[Voetnoot 10: COSIJN, t.a.p. bl. 21.]
[Voetnoot 11: Dr. TE WINKEL, Gesch. der Ned. Lett.]
[Voetnoot 12: Hilde—Gudrun.... von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof. SYMONS, die de Gudrun uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel.]
[Voetnoot 13: Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in Romania, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in Versl. en Meded. d. Kon. Akad., XII, 253 volgg.]
[Voetnoot 14: Sp. Hist., IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne Middelned. Epische Fragmenten, bl. 250 volgg.]
[Voetnoot 15: Vgl. Middelned. Epische Fragmenten, bl. 255.]
[Voetnoot 16: PIRENNE, t.a.p. bl. 41–43.]
[Voetnoot 17: Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S Kerkgeschiedenis, II, 3, bl. 45–55.]
[Voetnoot 18: Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S Huiszittend Leeven en, in veel beter uitgaaf, in Archief voor Ned. Kerkgesch., II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN.]
[Voetnoot 19: A.W. WYBRANDS, De Abdij Bloemhof, bl. 78–79.]
[Voetnoot 20: MOLL, t.a.p. II, 2, 239.]
[Voetnoot 21: In het Itinerarium van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit MATTHAEI Veteris Aevi Analecta, II, 26–33 b.v.: „Natales fines et arva dulcia linquentes" (Ecl., I, 3); aan het slot: „et tunc demum quae passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (Aen., I, 203). Vgl. ook de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31.
In de Kroniek van ALPERTUS, De Diversitate Temporum (ed. DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: „Intolerabilius nihil est quam foemina dives."]
[Voetnoot 22: MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S Stroph. Gedichten, bl. LXXVIII.]
[Voetnoot 23: Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S Allgem. Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande, van MOLL's Kerkgeschiedenis en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S Liber de vita etc.
MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in Poetae Latini Aevi Carolini, III, 557 seqq.]
[Voetnoot 24: Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg.]
[Voetnoot 25: Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H. PEERLKAMP, p. 11. De Versus de hirundine medegedeeld in Zeitsch. f.d. Alt. N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in Kerkhistor. Archief, III, 213 volgg.]
[Voetnoot 26: Zie voor het medegedeelde MOLL'S Kerkgesch., I, 275 volgg. en ALPERTUS' Kroniek De Div. Temporum.]
[Voetnoot 27: Der Lobgesang auf den heiligen Anno (ed. GOLDMANN), Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men Grundriss der Germ. Phil., II, 1, 251; en PIPER'S Spielmannsdichtung, II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105–1110.]
[Voetnoot 28: De Kroniek van ALPERTUS: De diversitate temporum libri II, is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, Kerkgesch., II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF HENNING, Nibelungen—Studiën. Strassburg. 1883.]
[Voetnoot 29: De Div. Temp., II, 5.]
[Voetnoot 30: R. HENNING in het aangehaald werk.]
[Voetnoot 31: Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van den Ysengrimus, (Halle a.S., 1884). In zijne Etude sur l'Ysengrinus, (Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151–1152; V.c. 1148. W. gelooft dat een „flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in Museum (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen.]
[Voetnoot 32: VOIGT, Einl. LXIII.]