Editorial note — 3. POËZIE DER GEMEENTEN.
Reading edition
Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave van Dr. STOETT in Noord en Zuid, X, 6.]
[Voetnoot 16: Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg.
Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "Maer so een meer maelt, so hi moeder es." (Vgl. mijn Lied in de Midd. over de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen van 1438-'9: „dat nyement by nachte en ga achter de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (Antw. Bibliophilen, no. 3, bl. 134).]
[Voetnoot 17: Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet gevoegd worden vooral: Les Sources du Roman de Renart par L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in Taal en Letteren van 1895; de nieuwe uitgave „van den Vos Reinaerde" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de artikelen dezer geleerden in Taal en Letteren, 14e jaargang.
Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor de Fransche branches naar MARTIN'S Roman de Renart, ook naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in Zeitschr. für roman. Philol., XV en XVI.]
[Voetnoot 18: Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. Siècle des Artevelde, p. 251 en Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg., XXXII, 221.]
[Voetnoot 19: Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel in Taal en Letteren.]
[Voetnoot 20: Vgl. Reinaert, vs. 623–6 met Br., XIV, 302–6 (al is daar geen „gepeins" maar „dire soef"); dit „binnensmonds spreken" ook I, 2785, 2841. Rein., 960-'81 met Br., X, 687–716; Rein., 1258 vlgg. met Br., I, 879–882; VI, 207–224; Br., I b. 2702–2722; Rein., 3368 vlgg. met Br., I, 942–3; Rein., 1510 vlgg. met Br., I, 1050-'54 en XIV, 258–9, 665 vlgg.]
[Voetnoot 21: Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (Karel de Groote en zijne XII. Pairs), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244.]
[Voetnoot 22: De bedoelde plaatsen in den Reinaert zijn: vs. 62: „Isingrijn ende sine maghe"; 1024: „te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084–5; voorts: vs. 1666: „ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: „so arem no van so cranken maghen"; vs. 1850: „Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884–5: „Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899–1900: „al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: „som van minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: „ser Isingrijns maghe"; 2720: „doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398–9: „hi was een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: „alle sheren Belijns maghe"; 3456–7: „Reinaerde ... ende allen sinen maghen".]
[Voetnoot 23: Vgl. Rein., 11–17, 32–7 met Flor. en Blanc., 1–13, 65–75; Rein., 1–9 met Wal., 1–6; Rein., 1–2 met Wal., 23–24.]
[Voetnoot 24: Vgl. FRANK'S uitgave van den Alexander, Inl. XVII-XVIII. F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: Alex., VIII, 315 te verg. met Rein., 1589.
VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht, dat de rijmen dier verzen: oghen || ghedoghen in datzelfde boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251–2, 751–2.
Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den Alexander, welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den Reinaert zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben.
Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van WILLEM'S proloog en dat der Enfances Ogier van ADENEZ LE ROI: Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc.]
[Voetnoot 25: Vgl. o.a. Rein. 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, 1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen.]
[Voetnoot 26: 1159–1160.]
[Voetnoot 27: Vgl. Br., I, 271, 342; 134: „Hersent rogist, si ot vergoine"; 967: „au col li met andous les braz"; 1447-'59: „Renart mist l'anel en son doi"; 1617: „baignier ... ventuser ... sener"; 344; 577 („onques n'i ot resne tenue"); 580: „Iloc s'arestent li destrer"; 705: „tant a alé esporonant"; 744: „tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190, 1461–2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; Br., I a.; het Grieksch vuur I, 282.]
[Voetnoot 28: T.a.p. II, 89 vlgg.]