← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — 3. POËZIE DER GEMEENTEN.

Reading edition

[Voetnoot 7: Vgl. b.v. no. 11, 1–2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg.]

[Voetnoot 8: De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe.]

[Voetnoot 9: Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze plaatsen niets van dien aard.]

[Voetnoot 10: no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld (LXV).]

[Voetnoot 11: De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn.

Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio." Vgl. Romulus (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p. 69, III, 9.]

[Voetnoot 12: Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: Die hystorie van die seven wijse mannen, van romen. 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I.]

[Voetnoot 13: Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, De Middelnederlandsche bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome. (Utrecht. 1899).]

[Voetnoot 14: I, p. 92.]

[Voetnoot 15: Vgl. Esopet, vs. 51–2:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings