← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — 2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.

Reading edition

Achtereenvolgens komen dan de oogjes (kijck-uyt), neusje (snuyt-uyt), montje (slock-op), kinnetje (kinne-klap) enz. Dat dit lied eene amoureuze omwerking is van een kinderlied doet tot de zaak niet af.]

[Voetnoot 27: Vgl. bl. 199 van: Oudvlaemsche Liederen en andere gedichten der XIVe en XVe eeuwen. Volgens het Voorwoord is het hs. van het laatst der 14e eeuw; van de 15e eeuw wordt in het Voorwoord nergens gewag gemaakt en de liederen geven daartoe m.i. ook geen aanleiding.

De pelgrims in dit lied waren misschien dezelfde Bruggelingen wier namen zijn aangewezen op bl. 29 van dezen bundel.]

[Voetnoot 28: Vgl. Horae Belgicae, X, no. 39 en Het Lied in de Midd., bl. 605 vlgg. Het lied is ons ongelukkig in een zeer bedorven redactie overgeleverd; dat blijkt reeds uit de rijmen nu eens „overslaghend" dan paarsgewijze geplaatst, uit de volgorde van couplet 24 en 25 enz.]

[Voetnoot 29: Uitgeg. in den bovengenoemden bundel Oudvlaemsche Liederen enz.]

[Voetnoot 30: De bundel en dit vraagstuk moeten beide nauwkeuriger onderzocht worden. Tot de critiek van den tekst heeft VERDAM eene bijdrage geleverd in: Tijdschr. v. N.T. en L., IX, 273 vlgg. Vgl. voorts: Het Lied in de Midd., bl. 256 vlgg.; L. GAUTIER, Les Epop. Franç. (2e éd.), III, 555 en A. DARMESTETER, De Floovante, p. 78: „Hodie demonstratum est" etc. Dr. A. NIJLAND, Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift en de critiek van Dr. FRANTZEN in Taal en Letteren, 1896, afl. 3.]

[Voetnoot 31: Vgl. no. XXXVIII en CXXI.]

[Voetnoot 32: Vgl. b.v. no. XXXVII; dat begint hoofsch genoeg: „Woude mi de vrouwe mijn" enz.; maar het refrein is in gansch anderen toonaard gezet: „In 't scade van tween witten dien" enz.]

[Voetnoot 33: Scheidliederen zijn no. 70, 86, 96, 108; aan de wachterliederen doet no. 72 denken; nieuwjaarsliederen zijn no. 59, 60, 75, 76: in no. 45: „den Mey die ic u minlic gheve"; voorts no. 2, 15, 33, 35, 51; de „niders" in no. 84.]

[Voetnoot 34: no. 96, 125, 140 (opgenomen in Het Lied in de Midd., bl. 269–270), 58. Beurtzangen in no. 5, 7, 21, 53, 54, 55, 68, 71, 75, 91.]

[Voetnoot 35: no. 16, 17, 26, 27, 38, 42, 71, 86, 121.]

[Voetnoot 36: Vad. Mus., II, 197, vs. 61 vlgg. Op het laatste blad van het bekende Hulthemsch hs. waaraan ook dit stukje ontleend is, leest men: „Dits een rondeel.... Vrou met eren ... nacht. Ene ander maniere den bom" geschreven boven muzieknoten (Vad. Mus., III, 141). Bonghe, bom wordt in het Mnl. Wdb. verklaard met trom; maar in de Oudvl. Lied., no. 38 wordt van de snaren der bonghe gesproken.]

[Voetnoot 37: Vgl. Tijdschr. v. N.T. en L., XIV, 260 vlgg.]

[Voetnoot 38: Vgl. Oudvl. Lied., no. 56, 41, 45, 49.]

[Voetnoot 39: Boek III, c. 43.]

[Voetnoot 40: Een deel onzer wetenschap aangaande dit merkwaardig lied hebben wij te danken aan een degelijk onderzoek van Prof. R.C. BOER. (De Gids van Mei 1899). Den tekst vindt men o.a. in: Hor. Belg., II, no. 3. Vgl. voorts Het Lied in de Midd., bl. 117 vlgg. en Middelned. Historieliederen door Dr. C.C. VAN DE GRAFT, bl. 48 vlgg. Ook nog VAN LENNEP'S Vondel, III, 350 noot op vs. 113–114. Over de bekendheid van het lied in lateren tijd vgl. Het Lied in de Midd., bl. 694, 708, 714, 715, 729, 734.

Opmerking verdient ook dat wij in de geschiedenis van Frankrijk in de 16e eeuw een verhaal vinden dat op sommige punten eene treffende overeenkomst vertoont met de hier behandelde sagen. Vgl. HOOFT'S Henrik de Groote (ed. van 1704), p. 23: de geschiedenis van Antonis Nantoillet du Prat.]

[Voetnoot 41: De tekst o.a. Hor. Belg., XI, no. 16. Vgl. voorts: Dr. PAUL FRÉDÉRICQ, Onze Historische Volksliederen, bl. 16. (F. zag het eerst de beteekenis van den zonderlingen titel van cort Rozijn). Dr. V.D. GRAFT a.w. bl. 62. Dr. TE WINKEL, Gesch. der Ned. Lett., bl 453. De beide laatste auteurs nemen aan dat met de dochter van den Graaf van Vlaanderen Gent wordt bedoeld. Mij komt dat weinig waarschijnlijk voor; vooral omdat Gent aan Zegher v. K. volstrekt niet een „fier ghelaet" toonde en er voor den Zegher van het lied niet de minste reden was om de stad Gent te onteeren.]

[Voetnoot 42: Zie die liedjes medegedeeld door Prof. FRÉDÉRICQ en Dr. V.D. GRAFT in de aangeh. werken, bl. 18 vlgg. en p. 69 vlgg. Ook in VAN VLOTEN'S Ned. Geschiedzangen, bl. 44 en 56.]

[Voetnoot 43: Willelmi capellani in Brederode.... Chronicon (ed. C. PYNACKER HORDIJK), p. 1–3. Het eerste gedeelte opgesteld in 1322 (zie Inl. XVI). Dat dit eerste deel „krioelt van grove vergissingen": dat WILHELMUS Duitsche koningen verwart, dat het huwelijk van graaf WILLEM met ALEID VAN GELRE reeds in 1197 geschied was enz., is voor onze beschouwing van weinig gewicht. Van belang voor ons is, dat de kapelaan deze geschiedenis in 1322 zóó voorstelt.]

[Voetnoot 44: VERDAM in: Versl. en Meded. Kon. Akad., 4e Reeks, Dl. II, 156.]

[Voetnoot 45: Mnl. Gedichten (ed. N. DE PAUW), I, 101 vlgg. Blijkbaar bestaat Onser Vrouwen Claghe uit twee afzonderlijke gedichten, duidelijk genoeg van elkander onderscheiden. Bij vs. 186 begint het tweede gedicht; dat blijkt bovendien uit de rijmen die van hier af paarsgewijze loopen, terwijl vs. 1–185 vier aan vier zijn gerijmd, al is de tekst slordig overgeleverd.]

[Voetnoot 46: A.w. I, 56, 332-'4.]

[Voetnoot 47: A.w. I, 245.]

[Voetnoot 48: VERDAM t.a.p. bl. 170.

Voor de overige hier vermelde stukken verwijs ik den lezer naar de genoemde werken en de Oudvlaemsche Lied. en Ged., bl. 1 vlgg.]

[Voetnoot 49: Vgl. Mnl. Ged. (ed. DE PAUW), I, 101 vlgg., vs. 243; BLOMMAERT, Oudvl. Ged., II, 116, vs. 175–6; 119, vs. 179–182; 120, vs. 137–140.]

[Voetnoot 50: Ook in de Hoogduitsche poëzie dier dagen zulke personages; vgl. de bovengenoemde dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 60.]

[Voetnoot 51: Vgl. BLOMMAERT, Theophilus, (Gent, 1858), bl. 38 vlgg. en PETIT'S Bibliographie i.v. In het Fransch bestaat eene „Desputaison du corps et de l'âme" die naar den inhoud overeenkomst toont met ons gedicht. Vgl. P. DE JULEVILLE a.w. II, 209–210. Voorts Romania, IX, 311; XX, 1–55, 513–578 en Zeitschr. f. rom. phil., IV, 74–80. Een afzonderlijk onderzoek zal misschien de verhouding der beide gedichten kunnen bepalen.]

[Voetnoot 52: Vgl. D. War., II, 352; III, 242; Belg. Mus., II, 237. Indien men let op den bouw van het laatste stuk (telkens drie coupletten van 8, 12 en 12 verzen, dan zal men eer aan drie tweespraken denken, drie variatie's op één thema waaruit een sprookspreker kon kiezen, dan aan ééne).]

[Voetnoot 53: De stukken, hier niet nader aangeduid, zijn te vinden: D. War, VII, 377; IX, 6, 142; Vad. Mus., II, 151; Oudvl. Lied. en Ged., bl. 380, 395, 398, 404, 409, 417, 440, 474; Versl. en Meded. der Kon. Akad., 3e Reeks, Deel XII.]

[Voetnoot 54: De hier bedoelde stukken en nog andere van dien aard vindt men in Vad. Mus., I, 296 vlgg.; II, 146 vlgg.; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, p. 185; KAUSLER, Denkmäler, III, 94 vlgg.; Tijdschr. v. N.T. en L., III, 177 vlgg.; XI, 210 vlgg.; XI, 285 vlgg.; XII, 97 vlgg.; XVI, 306 vlgg.

Vogel-spreuken vindt men behalve Vad. Mus., I, 319–321, ook nog in het Haagsche hs. no. 721, fo 3, vo en achter een ter Kon. Bibl. aanwezig bundeltje, getiteld: „Dit boecxken hout in sulcke manieren" etc.

Vgl. voorts nog: Jahrbuch des Vereins für niederd. Sprachforschung, no. XI, 171; XIV, 101 flgg. (Deze laatste aanwijzing dank ik mijn vriend VERDAM).]

[Voetnoot 55: Zie deze stukken in Tijdschr. v. N.T. en L., XI, 210, 289 en D. War., I, 134.]

[Voetnoot 56: Vad. Mus., I, 82, 86, 322, 324.]

[Voetnoot 57: Beider werken vindt men in BLOMMAERT'S Oudvl. Ged., II en III.]

[Voetnoot 58: Tijdschr. v. N.T. en L., XII, 103.]

[Voetnoot 59: Men vindt de hier bedoelde stukken in VERWIJS' Van Vrouwen ende van Minne, p. 1, 8, 40, 42; Vad. Mus., I, bl. 80, 318; KAUSLER, Denkm., III, 162; BLOMMAERT, Oudvl. Ged., II, 111–120; Tijdschr. v. N.T. en L., XI, 286, vs. 15; XII, 103.

In Achte Persone Wenschen, vs. 20 te lezen 't Gelach in plaats van 't Gelaet dat geen zin geeft en ook niet in overeenstemming is met vs. 179–180.]

[Voetnoot 60: In de Oudvl. Lied. en Ged., bl. 233 vlgg. De invloed van den roman van de Roos op onze letterkunde werd nog versterkt door Fransche navolgingen. Zoo schreef de Henegouwsche dichter WATRIQUET DE COUVIN er een, getiteld Li Mireoirs as Dames (eerste helft der 14e eeuw). Vgl. Dits de Watriquet de Couvin.... par A. SCHELER, p. 1 suivv.]

[Voetnoot 61: Vgl. o.a.: Van Vrouw. e.v. Minne, bl. 37 vlgg.; Belg. Mus., VII, 229; X, 84; Vad. Mus., I, 373, 377; Dissertatie van Dr. A. NIJLAND, bl. 152 vlgg.; Tijdschr. v. N.T. en L., XIX, 269 vlgg. (misschien aanvang der 15e eeuw); Oudvl. Lied. en Ged., bl. 314 vlgg.]

[Voetnoot 62: Vad. Mus., I, 366–369, 387–391. Voorts: Die gereimten Liebesbriefe des deutschen Mittelalters.... von ERNST MEYER. (Marburg. 1899). Op bl. 88–92 behandelt de S. in „Die niederländischen Liebesbriefe", een paar voorbeelden van dit genre uit de 15e eeuw; het is jammer voor zijn werk dat hij deze vroegere voorbeelden niet gekend heeft.]

[Voetnoot 63: Vad. Mus., I, 369.]

[Voetnoot 64: Vad. Mus., I, 393.]

[Voetnoot 65: Dissertatie Dr. NIJLAND, bl. 199.]

[Voetnoot 66: Goede Boerden, no. VIII en no. VII.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings