Editorial note — 2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.
Reading edition
Het is het verhaal van een Antwerpsch priester die de hebzucht van een paar Jacobijnen teleurstelt, door hun bij uiterste wilsbeschikking zijne blaas te vermaken. 5o. Dezelfde stof die in de sproke „Van eenen verwaenden coninc" is verwerkt (KAUSLER, Denkmäler, III, 204–212) vinden wij in „Li dis dou Magnificat" van den Henegouwschen menestreel JEAN DE CONDÉ, die schreef in de eerste helft der XIVe eeuw. Vgl. Dits et Contes de Baudouin de Condé par A. SCHELER, II, 355 suivv.]
[Voetnoot 4: Vgl. Goede Boerden, p. 11, vs. 4; KAUSLER, Denkmäler, III, 101; voorts: ald. III, 111, vs. 4–5; III, 186; Vad. Mus., I, 50, vs. 6–8; Belg. Mus., I, 326, vs. 12–17; 328, vs. 64–5; 336, vs. 354–5.]
[Voetnoot 5: Goede Boerden, bl. 1, 4, 19; Belg. Mus., III, 108–114; KAUSLER, Denkmäler, III, 165. In de boerde van Heile van Berseele behalve Antwerpen ook Gent en Brussel genoemd.]
[Voetnoot 6: In de Chansons du XVe siècle (ed. G. PARIS) leest men (no. LXXIX) de uitdrukking: „faire la follie" of „faire la sottise" in dezen zin. Vgl. ook: Oudvlaemsche Lied. e.a. Ged., no. LXXI: „dat sotte dinc doen". Ook de Oudfransche „gabs" in de Pélérinage à Jérusalem.]
[Voetnoot 7: Belg. Mus., X, 52.]
[Voetnoot 8: Goede Boerden, bl. 17. De volgorde der verzen bij VERWIJS is verkeerd, zooals blijkt uit de paarsgewijze rijmende verzen.]
[Voetnoot 9: Vgl. Lancelot, III, 16040 en Torec, vs. 276.
De hier bedoelde boerden zijn: Van enen man die lach gheborghen in ene scrine; van den cnape van Dordrecht; een bispel van II. clerken; van Lacarise den katijf (Goede Boerden, ed. VERWIJS, I-IV); Belg. Mus., X, bl. 51 vlgg.: van den man die gherne dranc; tghoede wijf maect den goeden man; van III. ghesellen die den bake stalen; Belg. Mus., III, 108: Wisen raet van Vrouwen, vollediger in VERWIJS' Bloemlezing uit Mnl. Dichters, III; Van Vrouwen ende van Minne (ed. VERWIJS), no. II; KAUSLER, Denkmäler, III, 111 van der weldaet die de duvele dede. Drie onuitgegeven boerden vindt men in het Thorpe-hs. ter Kon. Bibl. te Brussel, no. 1171, 2e serie: van den visscher van Parijs (Recueil Gén. des Fabl., III, 68: „Du péschéor de pont seur Saine"); van Heile van Bersele (zie boven) en Van der vrouwen die boven haren man minde (Rec. Général, V, 132–142: „De la dame qui fist entendant son mari qu'il sonjoit"). Ik heb de kennismaking met deze drie stukken te danken aan Dr. H.P.B. PLOMP, die het Thorpe-hs. beschreef in zijn vroeger vermeld Proefschrift. Het stuk, welks aanvang door VERWIJS wordt medegedeeld in de Inleiding tot zijn bundel Van Vrouwen ende van Minne, zal wel eene boerde zijn geweest, waarin de stof verwerkt is die ook behandeld wordt in het fabliau de Trois aveugles de Compiègne (Rec. Général, I, p. 70).]
[Voetnoot 10: KAUSLER, Denkmäler, III, 118–120.]
[Voetnoot 11: Van Vrouw. e.v. M., no. VIII.]
[Voetnoot 12: Belg. Mus., VIII, 96.]
[Voetnoot 13: Id., X, 64.]
[Voetnoot 14: Het Baghynken van Parijs uitgeg. door de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 3e Serie, no. VII, volgens eene Antwerpsche uitgaaf van 1605. Afdruk van een anderen druk in Konst- en Letterbode van 1853, II, 50–55 (VAN VLOTEN). CAMPBELL stelt het in zijne Annales, no. 215 op c. 1490. De Nederduitsche vertaling (Geistliche Gedichte des XIV. u. XV. Jahrh., O. SCHADE) dagteekent echter reeds uit de eerste helft der 15e eeuw. Vgl. ook: Jahrb. des Ver. für niederd. Sprachforschung, XXIII, 114. Taal en vorm van het gedicht leidden er mij toe, het in de 14e eeuw te plaatsen.
De overige sproken vindt men: Belg. Mus., I, 326: Een scone exempel van eenen jonghen kinde ende van haren scoelmeester; Belg. Mus., X, 57 vlgg.: van den verwenden keyser; de mantel van eren; van enen here die vremde liede bi hem nam ende verdreef sinen brueder. (Ook in KAUSLER'S Denkmäler, III, 131: een goet exemple); van tween kinderen die droeghen ene starcke minne. (Ook in: Taalk. Bijdr., I, 244, een andere bewerking); Belg. Mus., X, 339: van enre nonnen verduldechede; Van Vrouwen ende van Minne, no. VIII; KAUSLER, Denkm., III, p. 101, 118, 165, 186; Tijdschr. v. N.T. en L., XXIII, 46; Belg. Mus., VIII, 96: Van den ouden ridder ende den jonghen; Vad. Mus., I, 50: Van enen ridder die God sine sonden vergaf; 57: vanden goeden Brueder; de exempelen in den Spieghel der Sonden opgesomd en aangewezen door VERDAM in zijne Inleiding, bl. LI vlgg.]
[Voetnoot 15: KAUSLER, Denkmäler, III, 204.]
[Voetnoot 16: Vad. Mus., I, 51.]
[Voetnoot 17: KAUSLER, Denkm., III, 165, 109; Belg. Mus., X, 76, vs. 1; 58, vs. 11; Vad. Mus., I, 57, 66; p. 49–50; p. 98, vs. 34–5.]
[Voetnoot 18: Goede Boerden, bl. 11, vs. 3. (Depllijcheit zal wel eene verschrijving zijn voor Spellycheit.)]
[Voetnoot 19: Vgl. Goede Boerden, bl. 11, vs. 3; bl. 18, 222; 10, 166; 22, 104; Belg. Mus., X, 218 vlgg.]
[Voetnoot 20: PETIT DE JULEVILLE a.w. II, 205.]
[Voetnoot 21: Goede Boerden, 22, vs. 93 en 1, vs. 11.]
[Voetnoot 22: Vad. Mus., I, 57 vlgg. (bl. 63 vooral). Die zachter beschouwing eerst in Manon Lescaut; in HOOD'S Bridge of Sighs, b.v. in: