Editorial note — 2. GEESTELIJKE POËZIE.
Reading edition
„Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi: tertius filius et defert patri."
Voorts: Tract. de Conversione; de diligendo Deo; In cantica sermo 67.]
[Voetnoot 52: Vgl. Proza, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS van Gent, spreekt van: nosse, velle et posse. Vgl. Heinrich von Gent von Dr. K. WERNER, S. 37.]
[Voetnoot 53: B.v. Proza, p. 43, 93, 107. Gedichten o.a.: p. 5, 41; 26; 86, 41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2; 86, 27 en pass.]
[Voetnoot 54: Proza, 14, 24; voorbeelden van nuw, Mnl. Wdb., IV, 2422 en pass. in HADEWYCH'S Gedichten. Tegenover de nieuwe plaatst H. ook wel eens de oude en tegenover de vreemde de bekende. Zie b.v. Ged., bl. 224 (b.).]
[Voetnoot 55: Proza, 35, 58.]
[Voetnoot 56: Gedichten, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is 190, 1 vlgg. Proza, bl. 176.
Met „broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.]
[Voetnoot 57: Proza, bl. 61–2. Minne en Redene als de twee voornaamste zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S voluntas en ratio.
Inderdaad vinden wij in de Gedichten, bl. 196, vs. 15 vlgg. redene en wille in verband met memorie behandeld.]
[Voetnoot 58: Proza, bl. 87, 5, 3, 68.]
[Voetnoot 59: Proza, bl. 32; voorts 17, 96, 104. Rijmklanken o.a. op bl. 23, 42, 57, 89.]
[Voetnoot 60: Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de Gedichten, p. 84, 69, 18, 56, 61, 66–7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne), 242, 264, 21–22, 32; (de geestelijke „dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105, 123, 235.]
[Voetnoot 61: Vgl. Ged., 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17–18; („hoech gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; („gewat"), 9; („ghebruken"), orewoet, (28, 51, 69, 107, 30–31), 43.]
[Voetnoot 62: Ged., p. 69, 134, 142, 146, 156–7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.]
[Voetnoot 63: Vgl. bl. 186.]
[Voetnoot 64: Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.]
[Voetnoot 65: Ged., bl. 11, 15, 24.]
[Voetnoot 66: Ged., bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den aanvang: