Note 3 — 2. GEESTELIJKE POËZIE.
Reading edition
o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN, spreekt van „een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare „edel goddelike leringhe"; die „leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: die rolie der woedegher minnen. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: De XXe eeuw, IX, 181.]
[Voetnoot 39: Proza, bl. 187.]
[Voetnoot 40: Vgl. Quinque prudentes Virgines.... auctore P.F. CHRYSOSTOMO HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de Vita B. Beatricis. Was zij de Cisterciënser-non, „quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat de se ipsa"? (Vad. Museum, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN AFFLIGHEM in het Latijn „satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze.]
[Voetnoot 41: Vgl. o.a. Proza, blz. 5–6, 15, 20–21, den aanvang der Epistolae; Gedichten, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5–10; 210, 25–28.]
[Voetnoot 42: Proza, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?]
[Voetnoot 43: Proza, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL FRÉDÉRICQ.]
[Voetnoot 44: Proza, bl. 106–7, 128.]
[Voetnoot 45: Deuteronomium VI, 5. (De tekst van het proza heeft „diere herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik dijnre).]
[Voetnoot 46: Vgl. Proza, bl. 72–3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.]
[Voetnoot 47: Proza, bl. 104, 143, 179, 119, 126–7. (Openb. I, 13 vlgg.), 146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.]
[Voetnoot 48: Vgl. Openb. VIII, 6 en Proza, 135; VI, 1 en 135–6; VIII, 13 en 153–4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met Proza, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: „gij moet wederom" enz.
In Openb. II, 4 lezen wij: „Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: „maar ik heb eenige weinige dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: „Mer ic hebbe een dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz.]
[Voetnoot 49: Vgl. De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken.... door W. DE VREESE, I, 427.]
[Voetnoot 50: Proza, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: „ic di, wes mi" in hare Poëzie, bl. 94, 131, 244.]
[Voetnoot 51: S. BERNARDI Opera omnia.... D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, Ep., XI te vergelijken met: Gedichten, XI, 19–20: