Editorial note — 1. RIDDERPOËZIE.
Reading edition
[Voetnoot 24: Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.]
[Voetnoot 25: Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast. (Groningen. 1890).]
[Voetnoot 26: Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche Chanson-de-geste—hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben gedragen—en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.]
[Voetnoot 27: Karel ende Elegast (ed. KUIPER), vs. 768–9, 837–839, 923.]
[Voetnoot 28: Roof was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte onderscheid tusschen „diefte ende roof" (Limborch, X, 505). MAERLANT zegt in zijn Rijmbijbel, (I, p. 206): „Ne roof niet, hen si dijn"; in den Spiegh. Historiael, III, p. 374: „onse aerme worden rike met rove". Zie verder Nederd. Regtsoudheden, p. 282. De dichter van Van den Levene ons Heren legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).]
[Voetnoot 29: Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.]
[Voetnoot 30: Een overzicht van den Oorsprong van den Graal gaf TEN BRINK in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).]
[Voetnoot 31: Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in Tijdschr. v. N.T. en L., X, XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique, 3me série, tome XX, no. 12.]
[Voetnoot 32: TE WINKEL, Geschiedenis, p. 190.]
[Voetnoot 33: Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.]
[Voetnoot 34: Vgl. Maerlant's Werken door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
Ook in Floris en Blancefloer, (vs. 58–59) wordt melding gemaakt van de geschiedenis van Tristram en Ysoude.]
In het gedicht Van den Levene ons Heren, vs. 15, wordt onder de romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die