← Table of contents
Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I

Editorial note — 1. RIDDERPOËZIE.

Reading edition

[Voetnoot 1: De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE SAINTE PALAYE, Mémoire sur l'ancienne Chevalerie; L. GAUTIER, La Chevalerie; A. SCHULZ, Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger; MOLL, a.w. II, 4, 235.

De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland—aanlokkelijke maar zware taak—moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig bewerkte studie: Het kasteel in de XIIIe eeuw, later omgewerkt tot: Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans. Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als bronnen mogen dienen.]

[Voetnoot 2: De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS (Histoire poétique de Charlemagne); L. GAUTIER, Le Epopées Françaises (2e éd.); PIO RAJNA, Le origini dell'epopea francese; K. NYROP, Den oldfranske heltedigtning. Ik volgde vooral NYROP en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S Histoire, I, 49–344.

Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet gevoegd o.a.: Studies on the Legend of the Holy Grail by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in Gött. gel. Anzeigen (1890); Studies in the Arthurian Legend by JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S Der Karrenritter (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.]

[Voetnoot 3: Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368–9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).]

[Voetnoot 4: Vgl. TE WINKEL, p. 79–83 en J. STECHER, Hist. de la Litt. Néerl., p. 21 suivv.]

[Voetnoot 5: JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen gevestigd. Vgl. o.a. zijne Gesch. der Ned. Lett., I, 140 vlgg.; 289 vlgg.

TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn Maerlant's Werken, (2e druk), bl. 402–408.]

[Voetnoot 6: Leven van Sinte Lutgart (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39–57. Vgl. ook de plaats uit Van den Levene ons Heren die later vermeld zal worden.]

[Voetnoot 7: Acta Sanctorum Junii, III, p. 242–3: „in quadraginta annis, quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit." Leven van Sinte Lutgart, II, 461 vlgg.

S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.]

[Voetnoot 8: De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in zijne voortreffelijke uitgave der Chanson de Roland, p. 30–31 (in de aanteekeningen).]

[Voetnoot 9: Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier behandelde fragmenten naar mijne Mnl. Epische Fragmenten. Daar ook vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.]

[Voetnoot 10: Spiegh. Hist., IV, 1, c. 29, vs. 73–76.]

[Voetnoot 11: Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).]

[Voetnoot 12: Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.]

[Voetnoot 13: Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het Volksboek (ed. MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het Volksboek overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het V. 184 bladzijden telt.]

[Voetnoot 14: Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in Tijdschrift voor Ned. T. en Lett., II, 209 vlgg.]

[Voetnoot 15: Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der Lorreinen hetwelk niet te vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht.

De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: Romania, XXI, 361 suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne Gesch. der Franz. Lit. (1900), p. 45.]

[Voetnoot 16: Scaerdelijn ziet er uit als eene afleiding van scaert (scaerde). Zie o.a. Karel ende Elegast, vs. 413 de „scaerde ende vlegghen" in de helmen.]

[Voetnoot 17: Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor. Zie o.a. Pio RAJNA, Le Origini, p. 402.]

[Voetnoot 18: Eene collatie van het hs. gaf ik later in Tijdschr. v. Ned. T. en Lett., IXe jaarg., p. 166, 189.

Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: „Winechkijn, der Sassen here"; zie: Spieghel Historiael, III, 8, c. 86, vs. 3.]

[Voetnoot 19: Met terugneming van hetgeen ik vroeger (Tijdschr. v. N.T. en L., IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met El'e of Es'e in het hs. Elegast bedoeld is.]

[Voetnoot 20: Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne Middelnederlandsche Epische Fragmenten en de vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den Karlmeinet tot de Mnl. ridderpoëzie.]

[Voetnoot 21: In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene vertaling in onzen zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een bewerking dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS (Mnl. Ep. Fragm., p. 51) zegt: „traduire c'était imiter; on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn onderzoek van den Partonopeus, Dr. BOTERMANS in dat van die hystorie van die seven wyse mannen van romen; ik meen ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het Roelantslied.

Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten zetten.

Bij de vergelijking der bewerkingen van Nibelungen, Roelantslied, Reinaert, Rinclus e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker.] [Voetnoot 22: Aiol (ed. VERDAM), vs. 14–17.]

[Voetnoot 23: T.a.p., vs. 390–405:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings