Note 8 — De Zweden, Noorwegers en Denen.
Reading edition
Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om zoo te zeggen, in handen gehad.—Waren zij niet de membra disjecta8 van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid van Europa geworden zijn.—Langzamerhand echter verminderde de kracht en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde vaderland. Toen de andere staten en volken—ten deele zelfs met behulp dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche emigranten en van hunnen frisschen geest—zich weder vermanden; toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën—het eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens in Noorwegen en ook in Zweden,—zich bevestigd en den wilden zin der stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden op.—Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En eene dergelijke grootsche periode van roem en grooten invloed, heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd.