Note 1 — De Spanjaarden.
Reading edition
Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk verklaren, zoo al niet uit eene vermenging met de Arabieren, dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen, een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk, zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben; dat, even als Klio de stof der Spaansche geschiedenis uit louter drama’s geweven had, zoo nu Thalia haar alleen in treurspelen naschilderde, dat een Molina niet minder dan 300, een Calderon 700, de nog vruchtbaarder Lopez de Vega anderhalf duizend tooneel- en treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden; en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne landslieden dat werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een “archief voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken van het Spaansche volk bevatte.”—“De beeldspraak en het figuurlijke in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen verwant” herinneren in hooge mate aan de Arabieren.—Wie ook, die ooit met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende, aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde “Clavel de mi alma” (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een “zoutvat vol geest” prijst, of wanneer iemand opgetogen over een heerlijk glas wijn, uitroept: “dat het hem een voorsmaak van het paradijs geeft.”—Is dit niet alles, als ware het aan Hafis1 en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken, meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen.