Note 2 — HOOFDSTUK XIV.
Reading edition
Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v. Chr. bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van een Boeddhisme naar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.
Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.
Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.
In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.
Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.
Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.
Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkige kennis heb ik laten doorschemeren. ↑