Note 1 — HOOFDSTUK VIII.
Reading edition
Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1 Er waren maagden, die zich verbeeldden elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.