Note 2 — HOOFDSTUK V.
Reading edition
Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2 kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.