Note 6 — „ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”
Reading edition
Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel duister was geworden, werden er obor’s6 en olielampjes aangestoken, die op de warongs en de zich daaromheen groepeerende inlanders een phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden7 hun vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere.