Note 5 — ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.
Reading edition
Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door den neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende bierkruik ging lustig rond, toen … een zacht gegons aan mijn oor, een doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe”5 kan hier helpen, en die had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch de goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! onbekend—mijn bloed.