Note 4 — ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.
Reading edition
Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der „strootjes”4 afkomstig en aan hunne voeten stonden uit sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.