Note 4 — KAPITEIN „EENOOG”.
Reading edition
Deze nacht was de afschuwelijkste mijns levens. De koppige arak had alle sluimerende geesten in mijn lichaam gewekt en deze bonsden en hamerden nu in mijn schedel, zoodat ik vreesde dat hij zou barsten. In dien arbeid werden zij nog bijgestaan door het ééne oog van de „kapitein,” dat in mijne verbeelding mij verwijtend aanstaarde, en zoo gloeiend was die blik, dat het mij scheen of alle speeksel in mond en keel er door verdroogde. Door een razende hoofdpijn en het branden mijner oogen gekweld, zocht ik nog in den nacht de rivier op en bette en wiesch mij in hare golven; dat verfrischte. Geheele emmers water zwelgde ik in, maar steeds had ik een gevoel alsof ik een dozijn haringkoppen had opgeslokt. Lichamelijk en geestelijk gefolterd, legde ik mij weder op mijn stroozak neer en luisterde naar het zachte gekreun van de arme „kapitein”, die maar aldoor jammerde o, o, sakit sakit.4 De ochtendzon van den 1en. Januari bestraalde een treurig gezelschap.