Note 1 — VIII.
Reading edition
»Ik heb mijn post verwaarloosd en ze hebben mij afgezet!” kreet hij op akelig smartvollen toon, »maar ik zal ’t goed maken! ik laat mij zóó niet verdringen—weg van hier gij! Ik alleen heb hier recht,” en met heftigheid duwde hij Busch van het leeren zitbankje en begon nu zelf zulk een woest en fantastisch spel, dat de burgerij daar beneden hooren en zien verging en niemand begreep wat Busch bewoog zich zelf zoo uit te putten om zulke wanklinkende en oorverscheurende tonen voort te brengen. Dit helsch geraas, waaronder Busch zelf bleek van schrik zich het hoofd voelde draaien, duurde eenige minuten;—trappelend met de voeten, bonzend met de ongeschoeide vuisten1 op de zware houten pennen, scheen het of de waanzinnige op dezen zijn moed wilde koelen, alsof hij in die heftige wanklanken nog eens wilde uitspreken wat er voor smartelijks en wanluidends in zijn gemoed trilde. Op eens echter werd hij doodsbleek, liet de handen slap neervallen en scheen zijn eigen toestand, zijn eigen ongeluk en dwaasheid te beseffen. Hij vloog op en naar den trans van den toren. Een oogenblik leunde hij met beide armen op de met lood voorziene rollaag, liet het hoofd op de handpalmen rusten, haalde daarop een pakket papieren te voorschijn, waarvan hij zich nooit had willen scheiden, en wierp dat naar beneden onder het volk, uitroepende: »Ziedaar mijne erfenis! mijne beste plannen, mijne zekerste uitkomsten. Gij hebt mij niet willen helpen die uit te voeren, doe er nu zelf uwe winst mee!”