Note 3 — Zevende hoofdstuk
Hendrik Cornelis Rogge translation
De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten3 om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken, ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt4.