Note 4 — Zevende hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren4, brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.