Note 6 — Zesde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen6,—ja, ja, dat weet zelfs ieder kind,—alle vergiften komen uit Egypte!”