Note 20 — Vierde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»De priesters huldigden mij en namen mij in hunne kaste op, maar alleen omdat zij hoopten mij geheel naar hunne hand te kunnen zetten. Zij, die vroeger boven mij stonden, benijdden mij, of wilden op denzelfden toon als voorheen met mij blijven verkeeren. Ik begreep dat dit niet mogelijk was en mijn gezag zou ondermijnen. Op zekeren dag, toen de oversten van het leger bij mij ter maaltijd waren en met mij wilden schertsen, wees ik hun op het gouden bekken, waarin men, voor wij aan tafel gingen, hunne voeten gewasschen had. Vijf dagen later waren zij wederom mijne gasten, en toen deed ik een gouden beeld van den grooten god Ra20 op den rijk voorzienen disch plaatsen. Zoodra zij het beeld zagen, vielen zij neder om te aanbidden. Toen zij wederom waren opgestaan, greep ik mijn schepter, hield dien plechtig in de hoogte en riep: Dit beeld van den God heeft een mensch in vijf dagen vervaardigd uit het verachte bekken, in hetwelk gij spuwdet, en waarin men uwe voeten wiesch. Ik zelf was eens zulk een veracht vat; de godheid evenwel, die beter en sneller dan een goudsmid weet te scheppen, heeft mij tot uw koning gemaakt. Valt dus voor mij neder, en aanbidt. Wie ongehoorzaam is, of voortaan den eerbied, dien hij den koning verschuldigd is, uit het oog verliest, is des doods schuldig.