← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 19 — Vierde hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Amasis luisterde aandachtig toe, terwijl hij inmiddels met den gouden kop van een hazewind op zijn staf figuren in het zand teekende. Hij zeide daarop: »Inderdaad, Cresus, ik, de groote God, de zon der gerechtigheid, de zoon van Neith, de heer van den krijgsroem19, gelijk de Egyptenaren mij noemen, zou u, den armsten, den beroofden en onttroonden vorst haast kunnen benijden. In vroeger dagen was ik even gelukkig als gij thans zijt. Geheel Egypte kende mij, den armen zoon van een hoofdman, en gewaagde van mijne dartelheid, mijne guitenstreken, mijne luchthartigheid en mijn aan roekeloosheid grenzenden moed. De gemeene soldaat droeg mij op de handen. Mijne meerderen vonden veel in mij te berispen; maar uit liefde voor den dollen Amasis zag men alles door de vingers. Mijne makkers, de onderbevelhebbers van het leger, hadden geen genoegen op het heerlijkste feest, als ik er niet bij was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings